Traditionele lijdensweek.
In de week voor Pasen staan we stil bij het lijden wat Jezus heeft doorgemaakt. Voor mij was deze week ook een echte lijdensweek. Van de 8 afgelopen
dagen heb ik slecht 6 van de 24 dagdelen geen hoofdpijn gehad. Jezus onderging de lijdensweg vrijwillig met een enorm historisch en geestelijk doel. De hoofdpijn die ik doorsta dient geen enkel doel en is onderdeel van de zinloosheid van de gebroken schepping. Het enige wat me overeind houdt is de hoop die erin besloten ligt van de openbaarwording van de Zonen en Dochters van God wat nu nog verborgen is in een gebroken lichaam.
Blasfemisch en megalomaan?
Het is gevaarlijk blasfemisch en megalomaan om mijn eigen lijden te vergelijken met dat van Jezus. Jezus doel was om zijn solidariteit met alle lijdenden te laten zien dat het echt menens is. Hij bracht de spanning tussen God en de schepping tussen het recht van God en liefde van God weer volmaakt samen. In Jezus smelt het recht van God (oordeel over de mensen) en de liefde van God tot één geheel van genade. Jezus volgende stap is dat het herstel wat in gang gezet is ook daadwerkelijke in ieder mensenleven te realiseren die zich daarvoor openstellen. Het in die tussentijd leven is dus verre van eenvoudig.
“Pain is to mutch”
Het leven met zoveel pijn, perst het leven uit je, ja je hebt af en toe het gevoel levend begraven te worden en een voorsmaak van de hel te proeven. Deze (te) grote woorden geven aan dat zelfs de taal tekortschiet in het beschrijven van wat je doormaakt. Je beseft dat je op plaatsen komt waar niemand je nog kan volgen. Pijn isoleert, het geeft je een gevoel van vervreemding van jezelf en van anderen. Je proeft de verbijstering van anderen en ook dat isoleert. Als pijnbestrijding ook al een gepassioneerd station is het het slechts “pain is to mutch”
“Over de pijn” Prof. Buytendijk.
De grootste pijn van pijn is dat zij een eenzame ervaring is. Mijn pijn wordt niet door anderen gevoeld en ik kan hem ook niet met anderen delen. Uiteindelijk kan ik mijn pijn zelfs niet aan een ander bewijzen. Als Buytendijk (“Over de pijn”1963:82) zijn hoofdstuk over pijngevoel bij dieren begint, merkt hij op hoe moeilijk het is te achterhalen wat een dier voelt aangezien het ‘onze taal’ niet spreekt. Maar hij voegt daar onmiddellijk aan toe dat ook iemand die zich taalkundig wel goed kan uitdrukken, grote problemen heeft met de beschrijving van zijn pijngewaarwordingen. ‘